Jacob Israël de Haan

 

 

DOODSANGST

 

Niet in den winter, wanneer de dagen duister

Als nachten zijn, wier zwaarte mij verdrukt,

Maar in den zomer, als de bloei, de luister

Van dag en nacht, het bevend hart verrukt.

 

Niet in den winter als deuren en ruiten

Kreunen bij 't woedend waaien van den wind,

Maar in den zomer, als vogels hoog fluiten,

De dag laat eindigt en weer vroeg begint,

 

Vrees ik den Dood, haat ik hem machteloos,

Ik heb het leven zóó lief en het gaat

Buiten mijn macht genaadloos naar één eind.

 

O, Vriend, lach niet meer. Maar een korte poos

Eer de wreede Dood ons beiden verslaat

En onze vriendschap in het niet verdwijnt.

 

(uit: Verzamelde gedichten, 1952)    >>>