Ida Gerhardt
HET NOODWEER
Als zij de blauwzwarte rijksdaalders liet zien
'van de watersnood, van de watersnood'
die zij mee had gemaakt in dat rampjaar,
dan vlogen trots en angsten mij aan,
om de watersnood, om de watersnood;
om het licht dat verschoot in haar ogen.
Trots en angst, en daar onder verholen verzet.
Bij de watersnood, bij de watersnood
in de zwarte nacht luidt de stormklok.
De springvloed sloeg haar en sloeg mij in dat jaar
van de watersnood, van de watersnood;
dat jaar dat zij mij heeft gedragen.
(uit: Verzamelde gedichten II, 1992)
>>>